|

Familiebedrijven en de beurs
|
"Families, ik haat u ! Gesloten huizen, gesloten
deuren, gelijkhebberige egoïsten die hun geluk afschermen". Het zijn woorden
van de bekende Franse romancier André Gide in zijn roman "Les nourritures
terrestres".
Bij nogal wat schrijvers speelt de familie een centrale rol in
hun oeuvre, en bij nogal wat beleggers roepen de familiale ondernemingen heel
wat vragen op : zijn ze transparant genoeg, presteren ze sterk genoeg, ? Kortom,
loont het de moeite om erin te beleggen ? Het zijn stuk voor stuk vragen die we
hieronder eens beter tegen het licht willen houden.
Groot aantal bedrijven blijft in familiale handen
Een eerste vaststelling is dat heel wat ondernemingen, ook als
ze op de beurs genoteerd zijn en onafhankelijk van hun nationaliteit, nog steeds
van dichtbij of van ver worden gecontroleerd door hun stichters of hun
erfgenamen. Dat geldt zowel voor de ondernemingen waarvan de namen nog steeds
naar die stichters verwijzen zoals bandenfabrikant Michelin, autoconstructeur
Ford, draadproducent Bekaert, distributiebedrijf Delhaize en brouwer Heineken,
als voor firma's die voor een naam hebben gekozen met een minder duidelijke
verwijzing naar de familie zoals autoconstructeur BMW, softwarespecialist SAP,
farmaciereus Novartis of restauratiebedrijf Sodexho. In de Verenigde Staten zijn
35 % van de 500 grootste beursgenoteerde bedrijven in familiale handen.
Gemiddeld heeft een familie, hetzij als stichter, hetzij als erfgenaam 18 % van
de aandelen in handen. In de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië is het
aandeelhouderschap nog tamelijk verspreid, maar op het oude continent is dat
veel minder het geval. Daar lijkt de concentratie van het kapitaal in enkele
handen eerder de regel te zijn dan de uitzondering, alhoewel de reden daarvoor
van land tot land kan verschillen. In Frankrijk is dat bijvoorbeeld omwille van
de sterke positie van de staat en het kleine aantal institutionele
investeerders, terwijl het in landen als Zweden en Italië te wijten is aan de
heel belangrijke rol die wordt gespeeld door familiedynastieën zoals de
Wallenbergs en de Agnelli's. Amerikaans onderzoek heeft uitgewezen dat in
Frankrijk 65 % van de beursgenoteerde bedrijven nog in familiehanden is. Voor
België ligt dat cijfer op 51,5 % en voor heel Europa ligt het op 44 %.
Niet erg geliefd
Familiebedrijven die op de beurs noteren en waarvan het gros
van de aandelen in handen is van de stichters en van de erfgenamen, worden
slechts zelden als een efficiënt beheersmodel gezien. Waarom ?
- Uiteenlopende belangen
Het belangrijkste verwijt is dat de belangen van de families en
van de kleine aandeelhouders - of het nu om particulieren of om institutionelen
gaat - te sterk uiteenlopen. Het is immers voorbarig om te geloven dat de
familiale aandeelhouders, omdat ze net als de kleine belegger aandelen van het
bedrijf hebben, altijd streven naar een zo hoog mogelijke beurskoers. Natuurlijk
hebben ook zij er alle belang bij dat de beurskoers van de aandelen van hun
bedrijf stijgt en niet daalt. Maar toch moet men goed voor ogen houden dat voor
hen niet alleen de financiële kant van de zaak speelt. De naam van de familie,
hun erfenis, de plaats van de familie in de maatschappij, de zorg om het
patrimonium over te dragen aan de volgende generaties, zijn evenzeer elementen
waarmee de familiale aandeelhouders rekening houden bij het nemen van
beslissingen die een invloed kunnen hebben op de beurskoers van de onderneming.
Aangezien de andere aandeelhouders uiteraard niet van die voordelen kunnen
genieten, zien ze dus een stuk van de waarde van de onderneming die wordt
opgeofferd aan de familiebelangen, aan hun neus voorbij gaan. Het potentiële
probleem van de uiteenlopende belangen wordt nog versterkt door het feit dat in
heel wat familiebedrijven ook de bestuursorganen in handen blijven van de
familie, zoals bijvoorbeeld in de Franse media het geval is bij Michelin en
Lagardère.
Verschillende krachtsverhouding
Het is precies omdat de belangen van de familie vaak
verschillen van die van de andere aandeelhouders dat veel families structuren
opzetten die vooral hun eigen belangen verdedigen en niet zozeer die van alle
aandeelhouders. Via een systeem van aandelen met meervoudig stemrecht
bijvoorbeeld kan de controle van de families veel groter zijn dan hun belang in
het kapitaal van de maatschappij zou kunnen doen vermoeden. Zo heeft de familie
Peugeot in het bedrijf dat haar naam draagt slechts 26,5 % van de aandelen in
handen, maar ze heeft wel 39,5 % van de stemrechten, zodat ze inzake de
beslissingsmacht het meeste gewicht in de schaal legt.
Vanwaar dat grote verschil ? Op een efficiënte financiële markt
- waarin de kapitalen naar die plaatsen stromen waar ze het best worden vergoed
- kan een slecht beheerde onderneming, die minder goede resultaten boekt dan de
concurrenten - worden overgenomen via een vijandig bod op de aandelen door een
derde die dan een nieuw management aanstelt. Om zich te beschermen tegen het
risico om opzij te worden geschoven, zetten families die aan het hoofd van
ondernemingen staan constructies op die elke operatie waarvoor de familie niet
haar goedkeuring heeft gegeven erg moeilijk of zelfs onmogelijk maken. Het is
dus om de controle over de onderneming te verzekeren dat er aandelen met dubbel
of zelfs driedubbel stemrecht bestaan naast aandelen met enkelvoudig stemrecht
en zelfs aandelen zonder stemrecht, waaraan dan weer een hoger dividend wordt
toegekend. Deze technieken verzekeren het management en de familiale
aandeelhouders, vooral indien ze een sterke emotionele band hebben met het
bedrijf, weliswaar een zekere gemoedsrust, maar de kleine aandeelhouders zien zo
speculatieve koersgebonden meerwaarden aan hun neus voorbijgaan en missen
daardoor ook de kans om hun aandelen tegen een interessante prijs te verkopen
indien een andere partij via een openbaar bod de controle op het bedrijf wil
verwerven.
Ontwikkelingscapaciteit
Om het hoofd te bieden aan hun ontwikkeling en aan bijvoorbeeld
de internationalisering, hebben de familiebedrijven net als de andere
ondernemingen kapitaal nodig. Als de "families" een beroep doen op de beurs om
hun expansie te financieren moeten ze in hun zakken tasten om hun participatie
op hetzelfde niveau te houden, want anders bestaat het gevaar dat hun belang
verwatert en dat ze dus wat macht kwijt raken in "hun" bedrijf. Vandaar dat
sommige familiebedrijven erg terughoudend staan tegenover kapitaalverhogingen.
En vanwege hun criticasters levert hen dat dan weer de opwerping op dat het
risico bestaat dat het bedrijf ondergekapitaliseerd raakt en dat zijn
ontwikkeling wordt afgeremd.
En de rendabiliteit ?
Maar de voorstanders van het familiale bedrijfsmodel zien dat
helemaal anders. Volgens hen worden die bedrijven beheerd vanuit een
langetermijnoptiek en vermijdt dat diverse soorten mislukkingen die het gevolg
zijn van overhaaste beslissingen die het management soms neemt, verblind als het
is door bepaalde modeverschijnselen. Ze menen ook dat voorzichtigheid één van de
belangrijkste kenmerken is van familiebedrijven, omdat het patrimonium nu
eenmaal moet worden overgedragen aan de volgende generatie. En bovendien zou de
stabiliteit van het aandeelhouderschap het mogelijk maken om bevoorrechte banden
aan te halen met de leveranciers en de banken en zo op zijn beurt bijdragen tot
de reputatie en de stabiliteit van de onderneming.
Over de vraag of familiebedrijven nu al dan niet rendabeler
zijn dan andere is al veel inkt gevloeid en het antwoord erop is nog altijd
moeilijk te geven. Een recente studie van Amerikaanse onderzoekers in verband
met de S&P 500-bedrijven - de 500 grootste Amerikaanse bedrijven - lijkt
evenwel aan te tonen dat familiebedrijven niet slechter presteren dan
ondernemingen waar het niet de familie is die de plak zwaait. Volgens hen zijn
de stabiliteit en de voorzichtigheid die mogelijk worden gemaakt door het
familiale aandeelhouderschap, sterke troeven voor de ontwikkeling van de
onderneming, maar ook voor haar resultaten en uiteindelijk ook voor de
beurskoers van het aandeel. Een andere conclusie van deze studie is dan weer dat
jonge bedrijven - die minder dan 50 jaar oud zijn - de neiging hebben om beter
te presteren dan oudere bedrijven. En dat zou wijzen op een positief verband
tussen de resultaten en de (niet-overdraagbare) competenties van de stichter.
De goede prestaties zijn echter niet lineair. De auteurs van de
studie ramen immers dat vanaf een familiebelang van ongeveer 30 %, de
rendabiliteit van de familiebedrijven achteruit gaat en weer min of meer gelijk
loopt met het gemiddelde van de sector. Van zodra de participatie een bepaalde
grootte bereikt en in afwezigheid van een sterke tegenmacht - een georganiseerde
coalitie van aandeelhouders in een wettelijk kader dat de
minderheidsaandeelhouders beschermt - zal de hoofdaandeelhouder meer
bewegingsvrijheid ervaren. Maar dat houdt het gevaar in dat hij geen sanctie -
ontslag van het management, overname - krijgt in geval de resultaten slecht
zijn. Deze situatie moedigt alvast de veranderingen en het zichzelf in vraag
stellen niet aan.
Het bestaan van een gereguleerde en efficiënte financiële
markt, waarop rekening wordt gehouden met de belangen van alle aandeelhouders ,
is dus een noodzakelijke voorwaarde voor het goede beheer van de familiale
ondernemingen. Nog steeds volgens de hoger geciteerde onderzoekers, boeken de
Aziatische familiebedrijven gemiddeld slechtere resultaten dan de andere
bedrijven, omdat er in die regio weinig regels zijn over deugdelijk bestuur en
omdat de minderheidsaandeelhouders niet veel mogelijkheden hebben om hun rechten
te laten gelden, zodat het nastreven van sterke resultaten er geen topprioriteit
is. De familiale directie is met andere woorden de enige kapitein op het schip
en moet alleen aan zichzelf rekenschap geven. In dat geval bestaat het gevaar
dat aandeelhouderswaarde wordt weggesluisd langs het kanaal van hoge lonen en
buitensporige dividenden.
Een nieuw management : een interessante indicator
Wanneer in een familiebedrijf een nieuwe directie aantreedt is
dat een belangrijk scharniermoment dat bepalend is voor de toekomst van de groep
om middellange termijn. Een familielid naar voor schuiven op het ogenblik dat de
familiale directie terugtreedt is een risicovolle beslissing. Enerzijds omdat de
vijver waarin men een opvolger wil vinden veel kleiner is, als er alleen
erfgenamen van de stichter in zwemmen, dan wanneer men een beroep doet op
externe competenties en anderzijds omdat een beetje gevreesd moet worden voor de
motivatie van het familielid dat voortaan het bedrijf mag leiden. De Amerikaanse
miljardair Andrew Carnegie schreef in 1891 al dat naarmate een erfenis groter
is, er minder kans bestaat dat de erfgenaam goed werkt. Dat betekent met andere
woorden dat de kans groot is dat iemand die vanuit de familie tot bedrijfsleider
wordt gepromoveerd minder gemotiveerd is dan zijn voorganger.
Vandaar dat het interessant is om de familiebedrijven die een
managementwissel aankondigen onder de loep te leggen. Als de opvolgers uit de
familie komen is hun opleiding (beheerskennis,…) een goede waardemeter voor hun
motivatie. Indien die opvolgers afkomstig zijn van buiten de familie - want ons
a priori het beste scenario lijkt - kan het zijn dat de hoofdaandeelhouder op
die manier aan de minderheidsaandeelhouders de boodschap wil meegeven dat hij
begaan is met een grotere transparantie en met de wil om ondernemingen in het
voordeel van iedereen beter te beheren. In beide gevallen moet in ieder geval
aandacht worden gekeken naar de strategie : wordt de bestaande strategie
voortgezet of wordt ze omgebogen ? Waartoe wil het bedrijf zich engageren. Heeft
de directie weet van de mogelijke problemen die de onderneming doormaakt ?
Naast deze noodzaak aan competentie is er ook een nood aan een
wettelijk kader dat de rechten van de minderheidsaandeelhouders beschermt.
Vandaar dat wij ten zeerste aanbevelen om wantrouwig te staan tegenover
familiebedrijven in de groeilanden. Bedrijven die voor minder dan 30 tot 40 %
worden gecontroleerd door de familie en die actief zijn op een gereglementeerde
markt en die werken met een extern management zijn volgens ons wel interessant,
omdat die het best in staat blijken voor de nodige vernieuwing te zorgen.
Conclusie
Sinds enkele jaren moeten de familiebedrijven, en met name de
kleinste, zich aanpassen aan een nieuwe omgeving die wordt gekenmerkt door een
alsmaar grotere marktopenheid, en een steeds scherpere concurrentie. Daardoor
zijn ze gedwongen om zich voort te ontwikkelen, want anders is er een groot
gevaar dat ze binnen de kortste keren worden overgenomen of verdwijnen. Voor
veel bedrijven is het gewicht van het verleden lange tijd een obstakel geweest,
maar sommige bedrijven hebben ondertussen resoluut voor een offensieve houding
gekozen door hun kapitaal open te stellen voor externe aandeelhouders, of bij de
grotere bedrijven die al noteren, door te kiezen voor een grotere transparantie
in hun beheersmodel. Zonder hun verleden te vergeten, lijken ze in staat om zich
met een zeker succes aan de noden van de moderne economie aan te passen. Het is
aan u als belegger om daar een graantje van mee te pikken.

|