De rentecurve zou kunnen
worden gedefinieerd als de grafische voorstelling van de relatie tussen het
rendement en de looptijd van een obligatie. Obligaties in een welbepaalde munt
en met een vergelijkbaar risico bieden voor elke looptijd – één, vijf, tien
jaar, enzovoort – een welbepaald rendement.
· In principe is het zo dat de obligaties met
een langere looptijd een hoger rendement bieden dan die met een korte looptijd.
Geld lenen op lange termijn houdt nu immers eenmaal meer risico’s in dan geld
lenen op korte termijn. Zo kan een uitgever vandaag in uitstekende financiële
gezondheid zijn, terwijl dat over tien jaar niet meer het geval zal zijn. Ter
compensatie van dat hogere risico vragen de beleggers ook een hogere vergoeding.
Grafisch gezien vertaalt zich dat in een stijgende rentecurve. In de ontwikkelde
industrielanden is dat de traditionele curve voor de obligatiemarkt.
· Dat algemene principe is echter niet altijd
en overal van kracht. Soms wordt de obligatiemarkt immers ook gekenmerkt door
een dalende rentecurve, of “omgekeerde rentecurve”. Dat betekent dat de rente op
korte termijn hoger is dan die op lange termijn. Dit soort rentecurve kunt u
aantreffen als de markt vooruitloopt op een vertraging van de economie en een
daling van de obligatierente verwacht.
· Als de rente op korte termijn en die
op lange termijn omzeggens gelijk zijn, is er een derde mogelijkheid : de vlakke
rentecurve, een situatie die momenteel zowel in Europa als in de VS van kracht
is.