De markten waren in mei vooral in de ban van de sterke euro. Ondertussen is
het hopen op een Europese renteverlaging die de economie weer de sporen kan
geven, want bij de bedrijven is ondanks bemoedigende resultaten en enkele
positieve economische cijfers onzekerheid nog steeds het sleutelwoord.
Europese renteverlaging onvermijdelijk
Op de wisselmarkten ging de meeste aandacht weer uit naar de aanhoudende
koersstijging van de euro ten opzichte van de andere munten. De Europese
eenheidsmunt bereikte zelfs een historisch hoogtepunt ten opzichte van de
dollar. En aangezien de monetaire overheden aan beide zijden van de Atlantische
Oceaan momenteel geen aanstalten lijken te maken om maatregelen te nemen die de
huidige koersverhoudingen kunnen wijzigen, kan de trend van de koersstijging van
de euro wellicht nog wat aanhouden. De Amerikaanse Federal Reserve ziet in de
lage dollarkoers immers een middel om de Amerikaanse economie via een toenemende
export opnieuw in de steigers te helpen en het tekort op de handelsbalans te
verminderen, terwijl de Europese centrale bank (ECB) de sterke euro beschouwt
als een bondgenoot om de inflatie te bedwingen. Maar of de redenering van beide
centrale banken ook de juiste is, zal nog moeten blijken. De inflatiedreiging
van de afgelopen maanden in Europa had immers niets te maken met sterke
economische prestaties, aangezien ze het gevolg was van diverse
belastingverhogingen en van de stijging van de olieprijs. Sinds het einde van de
oorlog in Irak is de olieprijs trouwens flink gedaald en dat leidde ook tot een
forse verlaging van de Europese inflatie. Fundamenteel gezien vormen
prijsstijgingen dan ook niet langer een bedreiging voor de Europese economie. En
in de Verenigde Staten zou het best wel eens kunnen dat de koersdaling van de
dollar niet volstaat om de buitenlandse handelsbalans weer in evenwicht te
krijgen. Want het leeuwendeel van het tekort daarop is het gevolg van de
handelsbetrekkingen met China en Japan. Voor China geldt echter een systeem met
een vaste wisselkoers ten opzichte van de dollar, terwijl Japan alles in het
werk stelt om te vermijden dat de yen te duur wordt ten opzichte van de dollar.
Kortom, de terugval van de dollar, heeft eigenlijk vooral nadelige gevolgen voor
de Europese exportbedrijven en dus voor de Europese economie. In eerste
instantie kan de Amerikaanse economie daar wel garen bij spinnen, maar op
termijn is een zwakke Europese economie ook nefast voor de Amerikaanse export.
Ondertussen is als gevolg van de vrees voor deflatie en het vooruitlopen op
mogelijke renteverlagingen, de obligatierente voort gedaald. De daling van de
olieprijzen, de sterkte van de euro en het feit dat de Europese consumenten de
vinger op de knip houden, beperkt niet alleen het inflatiegevaar, maar doet
zelfs vrezen voor deflatie, met name in Duitsland. Om dat tegen te gaan moet de
ECB dringend werk maken van een nieuwe renteverlaging, want niets rechtvaardigt
momenteel dat de Europese obligatierente twee keer zo hoog ligt als de
Amerikaanse.
Jojobewegingen op de beurzen
De Europese beurzen klokten na een maand met heel sterke koersschommelingen
eind mei toch hoger af dan eind april. De Britse en de Amerikaanse aandelenmarkt
gingen weliswaar vooruit, maar omgezet in euro beperkt de winst zich voor de
Belgische belegger tot 1,6 % op de beurs van Londen en 0,3 % op de beurs van New
York. Na de sterke prestaties in april en de over het algemeen goed meevallende
kwartaalresultaten, begonnen de aandelenmarkten onder een goed gesternte aan
mei. Delhaize boekte
weliswaar minder omzet, maar kon onder meer door een goede kostenbeheersing toch
een hogere winst laten optekenen. Brantano, profiteerde van de
goede gang zaken op de Belgische en Britse markt, wat zich vertaalde in een
daling van het kwartaalverlies. KBC bood beter weerstand aan de
moeilijke omstandigheden dan zijn concurrenten, al heeft de bank wel nog enkele
netelige dossiers op te lossen in Oost-Europa. Positief was ook dat Deutsche Telekom, dank zij de
verhoogde rendabiliteit in vaste telefonie, en de positieve ontwikkelingen bij
zijn Amerikaanse dochter UST-Mobile, weer winst boekte.
En de kostenbesparingen bij de Britse farmagigant GlaxoSmithKline bezorgden het
bedrijf iets betere resultaten dan verwacht. Opvallend is trouwens dat alle
bedrijven heel voorzichtige voorspellingen maken voor het tweede kwartaal en
voor de tweede jaarhelft of dat ze zich zelfs helemaal niet aan voorspellingen
durven wagen. De koersstijging van de euro en het feit dat het nog altijd
wachten is op een renteverlaging door de Europese centrale bank, zorgden er
trouwens voor dat de aandelenkoersen uiteindelijk weer bijna helemaal de winst
die ze begin mei hadden geboekt in rook zagen opgaan. Vooral de automobielsector
- en met name DaimlerChrysler en Volkswagen - wordt zwaar
getroffen door de koersstijging van de euro. De verzekeringssector leed van zijn
kant onder de conclusie van een analyse die zegt dat de koersdaling van de
dollar zware gevolgen kan hebben voor Europese verzekeraars, zoals bijvoorbeeld
Aegon.
De farma-aandelen van bedrijven die sterk aanwezig zijn in de Verenigde
Staten leden dan weer onder het risico op een strengere reglementering in het
land van Uncle Sam. Tot nu toe was het prijsbeleid daar soepeler dan in Europa,
maar daar kan dus ook verandering inkomen.
Dat de olieprijs lichtjes steeg van 24 dollar per barrel in april tot 26
dollar per barrel in mei, speelde dan weer in de kaart van de petroleumaandelen.
De technologieaandelen profiteerden op het einde van de maand dan weer van het
feit dat het Amerikaanse consumentenvertrouwen is toegenomen en van de opwaartse
herziening van de Amerikaanse groeicijfers in het eerste kwartaal.