Voor de automobielsector was 2004
een somber jaar. We beperken ons in deze studie tot de Europese auto-industrie
die naast de sectorgebonden problemen ook af te rekenen had met de sterke euro.
Rekening houdend met de waardering van de aandelen en gezien het gebrek aan
dynamisme van de sector, lijkt alleen BMW ons een aankoop waard.
2004
allesbehalve topjaar
In de eerste elf maanden van 2004 groeide de Europese automarkt
met 1,7 %. Niet direct een topprestatie als men er rekening mee houdt dat
de autoverkoop in 2002 met 2,9 % achteruitboerde en in 2003 met 1,3 %.
We kunnen er niet omheen : de Europese automarkt geraakt stilaan verzadigd.
Bovendien krimpt de koopkracht van de Europese consumenten. En alsof dat nog
niet erg genoeg is, wordt een deel van de vraag opgeslorpt door de Aziatische
wagens. Betrouwbaar, competitief in het voordeel (lage productiekosten dankzij
moderne fabrieken) en goed afgestemd op de vraag van de consumenten hebben ze
zich stevig ingeplant op Europese markt. Terwijl de verkoop van Europese merken
zo goed als ter plaatse trappelt, blijft de vraag naar Aziatische wagens
stijgen. Ter illustratie enkele cijfers over de eerste elf maanden van
2004 : Volkswagen +0,9 %, Fiat +0,1 %, Opel -0,3 %;
Toyota +6,8 % , Honda +11,6 %.
Hardnekkige
overcapaciteit
Wie kent ze niet, de “speciale aanbiedingen” die de laatste twee
jaren de markt overspoelden, zoals een auto met een aantal snufjes waarvoor geen
meerprijs moet betaald worden. Dat de autoconstructeurs verplicht zijn hun
prijzen te verlagen en zich tevreden te stellen met lagere marges is in de
eerste plaats te wijten aan de overcapaciteit die de sector teistert : het
aanbod overtreft de vraag. Om daar een mouw aan te passen draaiden de Europese
autoconstructeurs volgens sommige bronnen op minder dan 80 % van hun
capaciteit, terwijl ze om rendabel te zijn meer dan 80 % van hun capaciteit
moeten benutten. De grootste slachtoffers waren Fiat en Volkswagen
die met een productieapparaat zitten dat dateert uit gelukkiger tijden.
Peugeot-Citroën en Renault zagen de bui al vroeger hangen en groepeerden de productie van verschillende
modellen in eenzelfde fabriek. Eén model dat het minder goed doet, sleurt dan
niet onmiddellijk een hele productievestiging in de rode cijfers. Volgens ons
zullen de prijzen onder druk blijven. Enerzijds hebben de consumenten geleerd om
de merken tegen elkaar uit te spelen. Anderzijds blijft de productiecapaciteit
groeien, met name in Oost-Europa waar bijvoorbeeld Toyota en Hyundai nieuwe
fabrieken bouwen (goed voor zowat 8 % bijkomende capaciteit).
Bloedeloze
herstructureringen
Marges onder druk, krimpende marktaandelen, de autoconstructeurs
hebben het niet onder de markt. Maar drastische herstelmaatregelen zoals bij de
staalproducenten en de telecomoperatoren werden er tot nu toe niet genomen. Na
de mislukte fusie Daimler-Chrysler kan de autosector bijvoorbeeld nog
altijd niet veel enthousiasme opbrengen voor dergelijke operaties die in geval
van succes nochtans tot serieuze besparingen kunnen leiden. Fabriekssluitingen
die de overcapaciteit zouden kunnen verhelpen, blijven taboe omwille van de
grote politieke en sociale spanningen die ze met zich zouden brengen. De
klassieke herstructurering waarvoor zowel Fiat als Volkswagen
heeft gekozen, met de obligate “verlaging
van de kosten” en een “beter beheer van het gamma” gaat volgens ons dan ook niet
ver genoeg. Vroeg of laat zal men het mes in de wonde moeten zetten, en hoe
langer men wacht, hoe pijnlijker de ingreep zal zijn.
Brengt China
soelaas ?
Voor de Europese autoproducenten op zoek naar nieuwe groeipolen
vormde Oost-Europa het meest voor de hand liggende doelwit : geografische
nabijheid en lage productiekosten. Fiat vestigde zich in Polen,
Peugeot-Citroën in Tsjechië en Slowakije, Renault in Roemenië. Maar die markten
zijn relatief klein. Dan is China andere koek : in 2004 werden er ca. 2,3
miljoen auto’s verkocht (in de EU naar schatting 14,5 miljoen), een getal
dat over 10 jaar tot 5 miljoen zou kunnen uitgroeien. Maar de wolken beginnen
zich al samen te pakken : de prijzenoorlog die de meedogenloze jacht op
marktaandeel kan uitlokken en de wil van de Chinese overheid om de economische
groei af te remmen knabbelen nu al aan de marges. Enkel als ze erin slagen de
verkochte volumes voldoende op te drijven zullen de Europese constructeurs hun
zware investeringen kunnen terugverdienen.
Advies
Voor 2005
zit er ons inziens weinig muziek in de Europese autosector (stagnerende
koopkracht, en hoge werkloosheid). Het is dan ook weinig waarschijnlijk dat de
autoconstructeurs hun prijzen zullen kunnen optrekken. Integendeel, volgens ons
zullen ze nog meer kortingen moeten toestaan, met alle gevolgen van dien voor de
rendabiliteit. Genoeg redenen dus om tegenover de autosector voorzichtig te
blijven.
Alleen voor BMW (34,57 EUR op
het moment van on ze analyse) blijft ons advies kopen.
Omwille van de sterke euro hebben we onze
winstverwachtingen voor 2005 wel teruggeschroefd tot 3,40 EUR per aandeel
(+6 %, en niet +12,5% zoals we vroeger dachten), maar voor de lange termijn
blijven we vertrouwen hebben in de strategie van de groep. Zonder afbreuk te
doen aan zijn imago (exclusiviteit en sportiviteit) slaagt BMW erin nieuwe
marktsegmenten te veroveren (succes van de “kleine” S1) en zijn gamma te
vernieuwen (S3 new look in maart 2005).