Als men uitgaat van de veronderstelling dat een bepaald product
drie dollar kost in de Verenigde Staten en drie euro bij ons, dan betekent dit
dat de dollar en de euro precies dezelfde koopkracht bieden. De
wisselkoersen wijken echter van die logica af. Als 1 euro bijvoorbeeld 1,40
dollar kost, betekent dit dat de Amerikaan voor hetzelfde product 40 % meer zal
betalen dan de Europeaan in zijn land doet. De theorie van de absolute
koopkrachtpariteit zegt dat een dergelijke situatie niet kan blijven
duren. Om de koopkracht in de twee regio's weer met elkaar in evenwicht te
brengen, moet de koers van de ondergewaardeerde dollar stijgen tot een euro weer
maar 1 dollar meer kost. Deze theorie houdt echter geen rekening met het feit
dat de consumenten in de rijke landen voor hetzelfde product meer betalen.
De meer genuanceerde theorie van de relatieve koopkrachtpariteit
vertrekt daarom van de veronderstelling dat de wisselkoersen van de twee
munten op een dusdanige manier evolueren dat de inwoners van beide landen op
termijn dezelfde relatieve koopkracht zullen hebben. Hetzelfde product moet dus
niet noodzakelijk overal ter wereld even veel kosten en er kunnen verschillen
blijven bestaan in functie van het levenspeil.